Avatar

Karen Visser

Moeder van drie: zoon Casper '02 (thuis geboren), dochter Ying Xin ('04, Wenzhou/Zhejiang, China, special need) en zoon Hong Jie ('06, Hangzhou/Zhejiang, China, special need). Karen heeft geblogd van juli 2015 tot december 2016.

Jouw taal is de mijne niet

Taal is bij onze beide Chinese kinderen geen favoriet vak op school. Het spreken van Nederlands is voor de middelste geen enkel probleem en aan haar hoor je ook niet dat ze niet als Nederlandse is geboren. Bij de jongste is dat anders; voor hem is het duidelijk zijn tweede taal. Hoe het kan? Wie het weet, mag het zeggen…

Toen middelste bij ons kwam, sprak ze maar heel weinig Chinees. We hebben haar zelf helemaal niets horen zeggen, maar volgens haar papierwerk bleef het beperkt tot ‘ja/nee’, ‘ayi’ (verzorgster) en een paar andere korte woordjes. Ze was 23 maanden, dus zo gek was dat niet. Eenmaal bij ons ging ze in redelijk tempo Nederlands spreken, waarbij we bewust bezig zijn geweest met het bekende ‘benoemen’. “Oh, je wilt het rode blokje hebben? We doen het rode blokje in het bakje. Waar is het rode blokje? Goed zo, het rode blokje zit in het bakje!”

Een doorlopend commentaar op wat je zelf doet en wat zij doet, best vermoeiend in het begin, maar zeker functioneel. Haar taal kwam verder normaal op gang en ze heeft geen uitdrukkingen of vervoegingen die laten zien dat ze niet alleen Nederlands als eerste taal had. Van spellen en lezen houdt ze niet, waardoor haar woordenschat niet zo heel groot is – maar daarin is ze niet alleen in haar klas.

Bij jongste verliep het heel anders, vooral omdat hij al een stukje ouder was en veel meer sprak. Met 3 jaar en 3 maanden tetterde hij de oren van je hoofd in het Chinees! Een soort kleutertaaltje volgens onze gids, ongetwijfeld ook met fikse dialectinvloeden van zijn pleegoma. Toen we die een paar jaar na zijn komst ontmoetten, had zelfs onze Chinese gids een tolk nodig om haar dialect te verstaan.

Omdat mijn man flink had geoefend met luistercd’s, konden ze elkaar toch aardig begrijpen als het ging om basisbegrippen: honger, dorst, slapen, plassen… Zelf snapte hij, mede door het benoemen dat we weer deden, al snel wat we bedoelden en ging hij Chinees en Nederlands mengen. Bijvoorbeeld door staand in het campingbedje boos te roepen “Sjlapen poe jao! Sjlapen poe jao!” (poe jao is ‘wil ik niet’ in het Chinees). Zijn expressieve gezicht hielp ook mee in de communicatie; met handen en voeten begrepen we elkaar uitstekend. Sommige Chinese uitdrukkingen zijn nog lang in onze gezinstaal aanwezig geweest, omdat we ze uit sentimentele overwegingen erin hielden.

Op school was het voor jongste flink wennen, in allerlei opzichten. Negen maanden na zijn komst was hij echt toe aan school, maar de taal bleek nog een grote uitdaging. Zijn passieve Nederlands (begrijpen wat er wordt gezegd) was redelijk vergelijkbaar met een Nederlands kind, maar zijn zinsconstructie en zorgvuldigheid duidelijk niet. Daarin was goed te zien dat Nederlands zijn tweede taal is. Bezoeken aan twee logopedistes hebben ons goede handvatten gegeven om hiermee te oefenen, net als de ondersteuning vanuit het rugzakje op school, waar eindeloos werd gewerkt aan zijn formuleringen: in plaats van losse flodders, een goede zin maken om te omschrijven wat er is gedaan.

En nog is het voor hem lastig om zorgvuldig en compleet te zijn in zijn communicatie. Of het voortkomt uit de wisseling van taal, of dat hij ook in China meer een bètamens zou zijn geweest, is natuurlijk niet te achterhalen. Het opnieuw Chinees leren, dat we via een speciale kindercursus hebben gedaan leek ons een leuke manier om die taalspier op een andere manier te oefenen. We zijn heel benieuwd of hij hem komende zomer tijdens onze vakantie kan inzetten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *