Avatar

Sabine van Staden

Van proberen …

De kleine man krijgt al sinds hij in Nederland is dé spreuk voor jonge kinderen mee: ‘van proberen kun je leren’. Op de peuteropvang en tijdens zijn eerste twee jaren op de basisschool kreeg hij het regelmatig te horen (onder de hoede van een ouderwetse kleuterjuf, wat een zegen was dat, iemand die de druk van de citotoetsen wist te relativeren en keek naar de ontwikkelingsbehoefte van het kind).15 11 17 Sabine - van proberen puzzel

Hij wist het ook heel goed te reproduceren. Met name als zijn oudere zus in de stress schoot als iets niet lukte, of als ze het niet snapte of als ze bang was dat ze iets niet kon. Het klonk heel wijs, zo’n klein moppie dat tegen zijn zus roept: ‘Gewoon proberen. Van proberen kun je leren!’.

Al snel kwamen we er achter dat hij het gezegde weliswaar voor een ander begreep en toepaste, maar totaal niet van toepassing achtte op zichzelf. Leren fietsen? Toen het niet 1-2-3 lukte met dat vooruit gaan ging hij mokkend op de grond zitten en pakte zijn – inmiddels te klein geworden – loopfiets uit de schuur. Touwtje springen? Hij gunde zichzelf twee pogingen voordat het touw voor andere doeleinden gebruikt werd. En dan hebben we het nog niet over tekenen, knutselen, iets bouwen, of steppen en op de skeelers staan gehad. Of de momenten waarop hij vond dat hij wel klaar was met die bandjes en ze afdeed in het water. Iets met ‘baksteen’ en ‘zinken’.

Hij was moeilijk tot bijna niet bereikbaar voor onze aanmoedigingen. We begrepen het niet, werd ons toegeschreeuwd. En dat klopte. We begrepen op dat moment nog niet dat hij in zijn eigen hoofd niet zozeer alles al kan, maar meer alles moet kunnen. Zonder proberen. Zonder oefenen. Want anders.. tja, dát weten we nog steeds niet.

Wat we wel wisten was dat het werkte als hij in een groep andere kinderen zaken ‘probeerde’. Want dan was het geen oefenen of proberen, maar samen iets doen. Onze kleine man ging dus op les. Op knutselles. Op schaatsles. Op turnen. Op zwemles. En langzaam maar zeker slopen er vaardigheden in. Werd zijn zelfvertrouwen wat sterker. Overschreeuwde hij zichzelf nog steeds, maar kon hij ook steeds vaker zeggen dat hij iets stom vond – zijn manier van zeggen dat hij het niet begreep. Of niet kon. En als wij dat maar goed verstonden, goed begrepen, dan mochten we hem er soms mee helpen.

Met verhaaltjes schrijven in groep 3 bijvoorbeeld, waarbij de groep aan de hand van een aantal plaatjes op het bord en wat hulpzinnen, een verhaaltje over een vaststaand onderwerp moest schrijven. Doodongelukkig werd hij er van: hij kon er niks mee. Doodongelukkig werd juf er van: ze kon hem niet zover krijgen. En dus probeerde mama eens wat. Bij de senso-motorisch therapeut van zuslief speelde hij namelijk vaak met een ‘verhaaltjespuzzel’: stukjes die je in een bepaalde volgorde kan leggen en waar dan een verhaaltje over te vertellen is. Hij deed dat zelfs verbazingwekkend creatief. Ik ging op zoek naar een dergelijke puzzel en liep tegen een teken des tijds aan: ze bestaan nog wel, maar alleen met váste volgorde. De stukjes passen niet als je ze anders legt, al dan niet bewust een gek verhaaltje makend. Zorgwekkend, maar dat is weer een ander verhaal. Ik zocht er nu juist een die deze vrijheid wél bood. De vrijheid om te proberen een eigen verhaal te maken. Uiteindelijk vond ik er één op Marktplaats. De puzzel heeft de rest van het jaar in de klas gestaan. Na 5 of 6 woensdagen gebruikt te zijn voor een verhaaltje was het niet langer nodig: hij had het uitgeprobeerd en begreep wat de bedoeling was. Hij schreef verhaaltjes.

Omdat hij zichzelf steeds meer vaardigheden eigen aan het maken was, kwam de moeite met zaken proberen wat op de achtergrond te liggen. Tot hij een spreekbeurt moest houden. Het onderwerp was zo gevonden en lag hem na aan het hart, dus genoeg stof zou je zo denken. En daar stagneerde de boel. Hij kon het niet, werd er geroepen na een eerste uurtje werken, samen met zijn vader. Hij ging het niet doen! Hij ging daar wel staan en dan zou hij wel zeggen ‘ik ben N. en ik ga mijn spreekbeurt lekker helemaal niet houden!’. Nou en dat hij een onvoldoende zou krijgen! Je dacht toch zeker niet… etc, etc, etc. Ik kreeg hem met zachte hand zover om gezamenlijk zijn verhaal in de computer te zetten. Hij vertelde – prima, overigens – en ik tikte. Maar toen het op papier stond en hij het moest gaan oefenen, blokkeerde hij weer. Dat kon hij niet! Het was teveel! Hij ging het niet doen! Hij ging daar wel staan en dan zou hij – ik denk dat jullie het wel begrijpen, het vervolg. Ik probeerde eens dit, ik probeerde eens dat. Geen effect. Eén brok weerstand. Eén brok ontkenning. Ik ben niet zenuwachtig! Ik ben niet bang! Het interesseert me niks! Maar mij interesseerde het wel. Ik wilde dat hij oefende. Het probeerde. En ik verliet het zachte pad. Dwong hem deze blokkade te nemen. Drong tot hem door. Zat nogmaals met hem achter de computer. Andere insteek. Zeg het maar. Plaatjes? Filmpje? We draaiden gezamenlijk een spreekbeurt in elkaar. Hij oefende. Schoot in de weerstand bij onze ‘tops en tips’. Nam het uiteindelijk toch aan. Oefende nog een keer. Veranderde op de valreep een deel van de presentatie en vond de vorm die bij hem paste: plaatjes op het bord, trefwoorden op zijn blaadje en heel veel laten zien. Hij probeerde en hij leerde. En nu moet hij het alleen nog gaan doen. Ik heb er alle vertrouwen in. Van mij krijgt hij op voorhand een tien met een griffel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *