Patrick Matheeuwsen

Patrick Matheeuwsen

Ik ben Patrick. Samen met Alinda heb ik twee prachtige kinderen uit China. Een dochter uit het Zuiden en een zoon uit het Noordoosten van China. Ik schrijf over de perikelen in ons gezin en in hoeverre adoptie een rol in ons leven speelt.

Van wie hebben ze dat?

Tijdens het opruimen van de woonkamer, kwam er een oud fotoalbum tevoorschijn, dat een beetje uit het zicht op een boekenplank lag. ‘Kijk eens jongens’, zei mijn vrouw en ze schoof aan bij de kinderen aan tafel. Samen bladerden ze door het album en keken naar de foto’s uit een tijd dat mama zelf nog een klein meisje was.

‘Hé, wie is dat meisje daar? Is dat ons nichtje? En ben jij dat mama?’ Nee, dat meisje is nu juist jullie tante, en dat kleine meisje daar, dat ben ik. Aandachtig werd er gekeken naar oma, opa, tante en mama. Maar dan allemaal een generatie jonger. En ja, je ziet en herkent de overeenkomsten in uiterlijk tussen opa en oma toen, en mama en haar zus nu. En je ziet ook de overeenkomsten in uiterlijk tussen zus toen ze klein was, en de kinderen die ze nu zelf heeft.
En dan gaan mijn gedachten vanzelf naar onze kinderen. Want dat is iets wat ze zelf voorlopig niet zullen meemaken. Er zijn geen foto’s van hun ouders vroeger. Of herinneringen. Of zo’n oom of tante, je kent ze wel, die dan mijmerend naar de kinderen kijken en zeggen: ‘Och, dat is net onze Pientje vroeger. Dat kuiltje in de wang. Of hoe ze zich beweegt, kijk dan. Precies toen zij  die leeftijd had.’ Niets van dat alles.
‘Pap, hoe ziet mijn mama er uit?’ vroeg oudste, toen we voor de spiegel stonden in de badkamer. Op die vraag heb ik geen antwoord, ik weet het niet. Wist ik het maar!
‘Als je in de spiegel kijkt lieverd, dan zie je ook hoe je mama of papa er uit ziet. Je zult vast trekken van hen hebben. Misschien de ogen van je mama, of de oren van je papa.’
‘Ja, of andersom,’ zei ze, terwijl ze zichzelf bestudeerde in de spiegel. ‘Ik zou het wel willen weten.’
Ik ook lieverd, ik ook.
Maar het gaat niet alleen om het uiterlijk, er speelt veel meer mee. Wanneer we denken aan de genen, aan erfelijkheid of medisch verleden, stuiten we ook op een zwart gat. Kijk maar naar de schisis van onze jongste. Hoe ontwikkelt zich dat later? En maken zijn kinderen daar later ook kans op, is het erfelijk? Of had het met een externe factor te maken?
En wat weten we nog meer niet? Wat dat betreft heb ik de pech om een uitgebreide fantasie te hebben, en zie ik dan de meest verschrikkelijke scenario’s voor me. Zeer zeldzame ziekten die ontdekt worden, acute noodgevallen, of verschrikkelijke erfelijke aandoeningen die ineens de kop opsteken. Een zeer kleine kans dat zoiets gebeurt, maar toch. En later, wanneer onze kinderen ouder zijn, hebben ze er geheid veel meer last van. Ik zie de vragenlijsten al voor me die ze ooit moeten gaan invullen. ‘Is er bij u in de familie iemand plots overleden / met hoge bloeddruk / met hartklachten?’ ‘Komen er bij uzelf of in de familie mensen voor met een medische dan wel psychiatrische diagnose?’
Het vakje ‘ onbekend’  zal vaak aangevinkt worden in hun leven.
Onbekend over uiterlijkheden
Onbekend over medisch verleden
En ook onbekend over gedrag en talenten.
Hoe vaak ik wel niet hoor bij anderen. ‘Oh, dat heeft ie van mij!’  Wanneer hun kind bijvoorbeeld ontzettend snel een muziekinstrument leert te bespelen, op jonge leeftijd. ‘Jaaa, vroeger hoefde ik ook maar een keer te proberen op de piano en ik speelde al meteen de Derde van Rachmaninov. foutloos. Op mijn vierde. Geblinddoekt. Dat heeft hij van mij, mijn talent. Zeker weten!’
Wij weten ook iets zeker over de talenten van onze kinderen. Die hebben ze namelijk niet van ons! Heel duidelijk!
Soms heb je de discussie of bepaalde eigenschappen ‘nature of nurture’  zijn, ‘aanleg of opvoeding’. Hele wetenschappelijke studies zijn hierover te vinden. Maar wij hebben geen wetenschappelijk onderzoek nodig om te bewijzen dat sommige eigenschappen absoluut ‘nature’  of  ‘aanleg’ zijn.
In zowel mijn jeugd als die van mijn vrouw is ‘De Gymles’ deel van een traumatische ervaring. Voor de twee stijve harken die we zijn, zijn de ringen en het klimrek een soort van martelwerktuig. En de sociale littekens in onze ziel, die zijn ontstaan bij het  om en om kiezen van klasgenootjes voor trefbal, zijn diep. (Altijd als laatste! Altijd!)
Maar kijk eens naar onze dochter. Altijd in beweging, altijd lichamelijke grenzen opzoeken. Steeds een extra tandje bijzetten om een bepaalde handeling te verbeteren. Gym vindt ze leuk, zwemmen deed ze al op vroege leeftijd. En turnen is haar favoriete bezigheid, op een niveau dat voor ons een utopie zal zijn. Absoluut een geval van ‘aanleg’.
Ook onze jongste, heeft een knutseltalent en ruimtelijk inzicht, dat we totaal niet bij onszelf herkennen. Onze gekleide asbak van vroeger is een vormloze brok ellende, vergeleken met de knutselwerken die hij uit de losse pols tevoorschijn tovert. Een uitvinder in de dop!
Dus regelmatig stellen we de vraag: ‘Van wie hebben ze dat?’ Niet van ons in ieder geval. Maar wat zou het toch ontzettend mooi zijn, wanneer we in de toekomst er wel ooit achter gaan komen, van wie ze die talenten hebben. Dat er ooit echt een papa of mama zal zijn, die tegen hen zal zeggen: ‘Oh, dat heb je van mij! Zo was ik ook vroeger.’
Tot die tijd is het aan ons om te ontdekken waar bijvoorbeeld bepaalde gedraging vandaan komen. Want gelukkig herkennen we zelf ook wel dingen die wel degelijk van ons af komen.
Zoals wanneer de kinderen op de bank hangen en apatisch staren naar de ene aflevering na de andere op Netflix. Dan kan ik oprecht zeggen: ‘Dat hebben ze van mij!’

Reacties (1)

  1. Avatar Connie schreef:

    Herkenbaar. Ik vind het ook mooi om onbevooroordeeld te kijken hoe onze zoon zich ontwikkelt. Een open blik!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *