Patrick Matheeuwsen

Patrick Matheeuwsen

Ik ben Patrick. Samen met Alinda heb ik twee prachtige kinderen uit China. Een dochter uit het Zuiden en een zoon uit het Noordoosten van China. Ik schrijf over de perikelen in ons gezin en in hoeverre adoptie een rol in ons leven speelt.

Wat ik niet wist over special need

Gewoonlijk, tijdens ziekenbezoek in het ziekenhuis, vraag je aan de zieke hoe het met hen gaat. Maar wanneer ik op ziekenbezoek ging, was het vaak de zieke die het juist aan mij vroeg. ‘Gaat het? Je ziet zo witjes?’

Ik had een hekel aan ziekenhuizen of andere plekken met dat typische chemische geurtje, zoals bij de dokter of dierenarts. Die benauwde, warme lucht. Nergens mag een raam open.

En zelfs bij een bezoek aan de dierenarts, wanneer onze poes werd onderzocht, voelde ik mijn bloed wegtrekken. Mijn blikveld werd steeds kleiner en ik verdween langzaam in een donkere tunnel. Om te voorkomen dat ik onderuit zou gaan, moest ik dan snel het gebouw uit, frisse lucht happen.

Echt, ziekenhuizen, vreselijk.

En zie me nu eens. Het blijft nog steeds spannend, maar vertoeven in een ziekenhuis gaat me intussen een stuk beter af. Maar ik moet wel, het kan niet anders.

Want ik ben niet alleen. Ik heb een klein, angstig mannetje bij me. Een kwetsbaar kereltje dat mijn hand vast heeft, dat amper beseft wat er met hem gaat gebeuren. Op het ene moment speelt hij nog vrolijk en op het andere moment gaat hij ineens huilen omdat het toch heel spannend is.

Flauwvallen is op zo’n moment niet aan de orde.

Kijk, je kan je er wel op voorbereiden. Je helemaal inlezen in een bepaalde special need. Flink verdiepen in de materie. Alle ins en outs willen weten. Operatiefilmpjes bekijken op You Tube. Prima om dat allemaal te weten.

En het is goed om dat te doen, vooral als je nog voor de keuze staat om een kind met Special Need te adopteren. Je hebt die kennis nodig om de keuze te maken. Want wat kan je aan? Een kind met een missend ledemaat? Of schisis? Hoe ziet dat er uit? Hartaandoeningen? Wat betekent dat? Deze kennis is belangrijk, en moet je absoluut weten.

Maar dat is theorie.

En nu de praktijk.

20160418 Patrick - monitor_ziekenhuisWant hier staat mijn piepkleine zoontje, op een immens groot ziekenhuisbed. En hij huilt hartverscheurend, omdat hij een eng, raar, doorzichtig onderbroekje aan moet.

Daar sta je dan met je medische feitjes. Dat is helemaal niet aan de orde. Wat veel belangrijker is op zo’n moment, is dat ik zijn Papa ben.

Mijn schatje heeft behoefte aan iemand die hem troost en er voor hem is. En dat ben ik. En Mama natuurlijk ook, die is er ook bij. Samen zijn we er voor hem. Nu heeft hij ons nodig in het ziekenhuis, maar veel vaker nog gewoon thuis of op school. Wat dat betreft zijn we vooral zijn ouders, en ‘special need’, tja, dat is er wel, natuurlijk, maar dat staat ergens veel lager op de lijst.

We zijn ouders. Zijn ouders.

Dus hop, dat rare broekje gaat aan de kant. Nergens voor nodig! En we praten wat en we troosten hem. En hij wordt weer rustiger. Even later is hij zelfs weer vrolijk. ‘Jippieeeeeee!’, juicht hij, wanneer het bed richting operatiekamer wordt gereden.

Maar toen, kwam voor mij het moeilijkste moment tot nu toe. Iets wat ik persoonlijk niet had meegemaakt of had gelezen of gezien in al die literatuur of filmpjes. Voorbereiding was er niet, en had ook niets geholpen.

Tot op zekere hoogte ging het prima. Eenmaal in de operatiekamer kroop hij op de operatietafel. Er werden stickers op zijn borst geplakt, zo’n wasknijpertje op zijn vinger. Een high five met de anesthesist. En uiteindelijk toch de traantjes toen het mondkapje erbij kwam.

Op zo’n moment was ik Papa.

‘Ik ben er jongen. Wees niet bang. Ik blijf bij je. Rustig maar.’

‘Blaas maar in het kapje. Je kan het! Jaa, goed zo.’

En dan zie je je zoon langzaam wegglijden, in een diepe kunstmatige slaap.

Precies dan, op dat moment, gebeurt het. Dit wist ik niet, onvoorbereid.

Want het is niet meer nodig om hem te steunen of toe te spreken of zijn handje vast te houden. Ik wil dat nog wel, maar het is de vraag of hij het nog merkt of hoort. Op dat moment hoef ik me niet meer groot te houden, voor hem. En tegelijkertijd moet ik hem loslaten. En erger nog, moet ik hem achterlaten.

Een laatste kus op zijn voorhoofd. ‘Tot straks. Ik hou van je.’

En dan, rug recht. Omdraaien en naar de uitgang. Doorlopen. Niet omkijken, vooral niet omkijken.

En ik loop langs de artsen en assistenten, ik zie ze wazig vanuit mijn ooghoeken. Mompel nog iets van: ‘Doe je best, succes.’ Zoiets. Het is moeilijk praten met een brok in je keel. Ik weet niet meer wat ik precies zei, want ik kon alleen maar denken aan dat kleine kereltje, wat ik achter laat, daar tussen al die apparaten, lampen en slangetjes en piepjes. Alleen. Helemaal alleen.

En ik loop door, een lange gang in. De deuren gaan achter me dicht. De pedagogisch medewerker loopt met me mee en ze zegt wel iets, maar geen idee wat. Maar ze zag ook wel aan mij, dat ik even niets kon zeggen. Dat mijn ogen aan het vollopen waren en dat mijn gedachten nog in de operatiekamer waren, bij hem. Zo alleen. Nooit geweten dat dit zo heftig zou zijn.

Achteraf, denk ik dat ik wel weet wat ze zei;

‘Gaat het? Je ziet zo witjes?’

Echt, ziekenhuizen, vreselijk!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *