Kleur speelt echt wel een rol

Tekst: Angela Jans

Hoe is het om met een kleurtje op te groeien bij ouders die een witte huidskleur hebben? In een maatschappij die door witte mensen wordt gedomineerd? Gezinnen met geadopteerde kinderen bestaan niet zelden uit verschillende kleuren. Durf je daar over te praten of hoeft dat niet?

Gemengde adoptiegezinnen worden nogal eens openlijk nagestaard. Een donker kind op wintersport? “Dat meisje zal wel geadopteerd zijn”, klinkt het pardoes door de gondellift. Op de camping wordt de eigenares gewaarschuwd door een bezorgde gast: “Er waren twee donkere jongens gesignaleerd op het veld.” Waarop de witte vrouw antwoordt: “Oh, dat zijn waarschijnlijk mijn kinderen.” Daarmee wordt prompt en tijdelijk een ‘roodkleurige’ campinggast aan het palet toegevoegd… En een moeder van een multicultureel gezin ziet pal voor haar neus gebeuren dat haar (bruine) kind bij de drogist als enige prompt een beveiliger achter zich aan krijgt. Om maar een paar cliché-voorbeelden te noemen. Negeren of acteren?
Net doen alsof er geen verschil is, is geen optie, zo bleek enkele jaren geleden tijdens een symposium van vergunninghouder A New Way in Nijmegen. Onder de titel ‘Kleurenblind, kleur doet er niet toe …?!’ lieten zij enkele ervaringsdeskundigen aan het woord. Onder hen Steven Brunswijk, bekend als de Braboneger. “Ik ben een Nederlander maar ik word vaak niet zo behandeld vanwege mijn kleur. Probeer in de schoenen van je kind te gaan staan en leer ze om voor zichzelf op te komen”, adviseerde hij de zaal vol witte (aspirant-)adoptieouders.

Rhonda Mae Roorda, een Afro-Amerikaanse die is geadopteerd door witte ouders die vanuit Friesland naar Amerika waren geëmigreerd, liet weten: “Tegen je kinderen zeggen: ‘Kleur doet er niet toe’ is fout. Want hoe goed bedoeld misschien ook, het doet er wél toe. En de kinderen worden er buitenshuis vroeg of laat mee geconfronteerd – hoe dan ook”, aldus de Amerikaanse, die vier boeken publiceerde over transracial adoptions.

En het houdt ook niet snel op, niet na de puberteit, niet na de middelbare school. Sterker nog, volgens een betrokken oma: “Adoptie is levenslang, zeggen ze weleens. Nou dat klopt. Mijn dochter is onlangs bevallen van een prachtig kind en is er bij het consultatiebureau nu al twee keer uitgepikt. De eerste keer omdat haar baby het risico zou lopen op een taalachterstand omdat uit de papieren blijkt dat moeder niet in Nederland is geboren! Nee, ze werd als baby geadopteerd uit India en we spreken sindsdien vloeiend Hindi tegen haar. Hou toch op, natuurlijk niet. Waar halen ze het lef vandaan? De tweede keer was het vanwege risico op een ontwikkelingsachterstand of iets dergelijks. Ik zeg tegen mijn dochter: ‘Dien een klacht in, het is gewoon discriminatie.’ Maar dat doet ze niet. Ze zegt: ‘Mam, laat maar. Ik maak dit soort dingen zo vaak mee …’ Nog erger! Ik kan er heel slecht tegen.”

In de documentaire ‘Wit is ook een kleur’ (2016) laat Sunny Bergman zien dat het denken over kleurverschil al jong begint en diep zit. In een experiment waarbij ze kinderen van verschillende kleur en komaf vragen stelt over een zwarte en witte babypop, maken de kinderen ongegeneerd ‘verkeerde’ ofwel ‘kwetsende’ keuzes, in ieder geval onwenselijke keuzes in de ogen van ‘correcte’ denkers. Driekwart van de kinderen zegt namelijk te denken dat de witte pop het slimst is, en de meeste wijzen direct naar de zwarte pop in antwoord op de vraag welke pop ze denken dat het stoutst is en straf verdient. Adoptieouders en geadopteerden vertellen over hun ervaringen.

‘Iedereen kent Dunsi’

Dunsi (spreek uit : doen-si) Schuurman (16): “Als het gaat om racisme, mag ik er niet over klagen. Of ik heb er geen last van omdat ik er goed mee om kan gaan, dat zou het ook kunnen zijn. In ieder geval heb ik er geen last van. Andersom merk ik wel dat mensen niet verwachten dat ik op het gymnasium zit, of dat ik best een intelligent gesprek kan voeren.”

Zou dat dan toch misschien met haar bruine huidskleur te maken hebben? Dunsi, geboren in Nigeria, spreekt die mogelijkheid niet uit maar suggereert het wel. En ja, ze ziet mensen soms wel eens lichtelijk argwanend kijken als ze met een stel gekleurde vrienden en vriendinnen op een kluitje op straat staat.

Dunsi was zes jaar oud toen ze samen met haar drie jaar jongere biologische zusje werd geadopteerd door Nanon Soeters en haar man. Het is inmiddels tien jaar geleden dat de kinderen vanuit hun Afrikaanse geboorteland naar Nederland kwamen. Het gezin ging in Bergen (NH) wonen. Omdat in die plaats en omgeving redelijk veel buitenlandse medewerkers van de kerncentrale in Petten vertoeven, vielen Dunsi en haar zus niet heel erg op. Ze spraken bovendien Engels, de voertaal op de plaatselijke internationale school. Dus dat was makkelijk. “Ik hou heel erg van talen”, zegt Dunsi. “Momenteel volg ik Chinees als extra keuzevak. Het is een klanktaal, net als Yoruba, de taal die in Nigeria wordt gesproken. Ik ga op bezoek naar China met uitwisseling van school, dat lijkt me heel gaaf. Maar op welke school ik ook zit, iedereen kent Dunsi! Ik ben een leidertje. Op de eerste school waar ik kwam, vond ik alle kinderen leuk, vooral omdat het allemaal nieuw voor me was. Tot ik naar een andere klas ging, toen heb ik echt zelf mijn vriendjes uitgekozen.”

“Oprecht, ik zie geen kleurverschil met mama. Het is niet het eerste wat mij opvalt, het gaat wat mij betreft echt om de persoonlijkheid van iemand.” Moeder Nanon: “Onze jongste viel het wel op. Als we in het begin toen ze hier in Nederland waren samen in bed lagen, begon zij regelmatig aan mijn neus te voelen. Die vond ze idioot groot. En ze heeft weleens gezegd: ‘Als jij nou veel chocolademelk drinkt en ik gewone melk, dan krijgen we misschien wel dezelfde kleur.’ Waarop ik zei, ze was nog jong: ‘Hoe graag ik het ook wil, zo werkt het niet.’ We deden soms alsof we een rits in ons lijf hadden, zodat we van vel konden ruilen. Maar dat paste natuurlijk niet. We kunnen onze kleur niet veranderen, concludeerden we dan.”

Dunsi: “Ik had er niks mee. Ik ben er misschien wel door gepest, maar ik zag het echt niet. Mijn vriend wel. Hij is ook geadopteerd uit Nigeria en heeft het over white privileges. Hij reageert vanuit zijn ras. Door hem lees ik nu ook een boek over de geschiedenis van zwarte mensen. We hebben elkaar leren kennen tijdens een Auntie-weekend, een stichting voor gezinnen met geadopteerde kinderen uit Nigeria. Eén keer per jaar is dat, dan komen we ergens in een vakantiepark of zo met 200 tot 250 mensen als een grote familie bij elkaar. Dat is heel leuk, dan hoef je elkaar niks uit te leggen, ook weleens prettig. Maar ik voel me over het algemeen totaal niet buitengesloten door mijn kleur, niet in ons gezin, niet in het dorp of stad, niet op school. Het maakt mij niet uit, ik val toch wel op, daar zorg ik zelf wel voor.”

‘Hoe is het om allochtoon te zijn?’

Irma van Geemen: “Het was een van de vragen die we in het begin van de adoptieprocedure moesten beantwoorden: ‘Mogen ze donker zijn?’ Geen moeilijke vraag voor ons: ‘Ja, dat mocht. Zeker!’ We gaven de vergunninghouder eigenlijk min of meer een vrijbrief, het maakte ons niet uit welke kleur, welk land, alleen wilden we wel graag twee of drie kinderen tegelijk adopteren, biologische broertjes en/of zusjes. Dat leek mij voor de lange termijn het beste voor de onderlinge verstandhouding binnen het gezin. Het hoefden wat mij betreft geen baby’s te zijn, wat ouder vonden we geen probleem, eerlijk gezegd wel prettiger zelfs. Ze waren vijf en twee jaar oud, onze kinderen, toen we ze in 1997 in Bogotá, Colombia gingen ophalen. Twee jongens, onze zonen!”

“De oudste ging vrij snel naar school, dat wilde hij zelf heel graag, en doorliep die ook vlot. Hij heeft civiele techniek gestudeerd in Delft en werkt nu voor een grote aannemer. De jongste paste van het begin af aan niet zo goed in het (school)systeem. Hij zei: ‘Als ze toch denken dat ik niet wijs ben, doe ik ook maar of ik gek ben.’ Hij speelde vaak de clown, volgens mij om te testen of hij wel gezien werd.”

“In het tweede jaar van de middelbare school werd hem door de godsdienstleraar de vraag gesteld: ‘Hoe is het om allochtoon te zijn?’ Hij wist niet eens wat dat betekende, maar vanaf dat moment is hij zich heel bewust geworden van zijn kleur. Zo zorgde hij er sindsdien bijvoorbeeld voor dat hij voortaan op school alleen nog (donker) gekleurde vrienden had. Hij heeft het echt zwaar gehad in de puberteit, onder meer rond de vraag: waar hoor ik? Hij heeft ook vaak gezegd: ‘Had me daar maar gelaten.’”

“Discriminatie ervaart hij zeker. Als hij weer eens een bepaald kort kapsel heeft, zegt zijn broer: ‘Oh jee, nu komen we met stappen weer nergens binnen.’ Hij heeft ook heel veel gedoe gehad met de politie. Vaak wordt hij er door de politie uitgepikt. Hij is zelfs een keer uit een volle bus gehaald om dat ergens in de buurt een vechtpartij was geweest, achteraf door iemand met rood haar (!) die Mo heette. Deze jongen zat ook in die bus maar hij mocht blijven zitten… Mijn zoon heeft zelfs onterecht vastgezeten, daar heeft hij later een schadevergoeding voor gekregen, maar wat koop je daarvoor? Meestal, eigenlijk nooit, kun je niet bewijzen dat het om de kleur gaat. Al heb ik het zelf ook vaak genoeg zien gebeuren dat er verschil wordt gemaakt. Als de jongens op het vliegveld voor me staan bij de douane heb ik meerdere malen meegemaakt dat ze eruit gepikt werden. Tot ik zeg dat het mijn kinderen zijn, dan hoeft die extra check ineens niet meer… Hoe kun je verwachten dat ze meedoen in een maatschappij die ze zo afwijst? Ze vinden het heel vervelend, want ze willen erbij horen. Maar kleur speelt echt wel een rol.”

‘Dat hebben wij hier niet’

Wiwin Veendijk: “Op de middelbare school was geschiedenis mijn favoriete vak. De docent heette Leen van den Berg, een man die idolaat was van zijn beroep. Tijdens schoolvakanties maakte hij verre reizen, het liefst naar plekken met een indrukwekkende historie. Na de vakantie wist hij altijd zijn reiservaringen door de geschiedenislessen te vlechten zodat iedereen aan zijn lippen hing.”

“Zo kwamen we bij het onderwerp apartheid. Na een vurig betoog over de obstakels tussen mensen met een verschillende huidskleur, keek Leen om zich heen en sloot af met de woorden: ‘Gelukkig hebben wij dat hier niet. De hele klas is blank!’ Waarop de hele klas zich omdraaide, naar mij keek en zei: ‘Dat is niet waar meneer! Zij heeft een andere kleur.’ Geschrokken keek Leen me aan en zei: ‘Dat was me helemaal niet opgevallen. Voel jij ook die kloof?’ Drieëntwintig paar ogen keken me aan en voor het eerst in mijn leven besefte ik pas echt dat ik een andere huidskleur had dan de (meeste) mensen in mijn omgeving. ‘Nee meneer’, antwoordde ik, me ontzettend bewust van al die blikken die op mij gericht waren.”

“Thuisgekomen liet ik deze gebeurtenis nog eens even goed op me inwerken. Voelde ik een kloof? Voelde ik mij anders? En zo ja, lag dit dan aan mijn huidskleur? Mijn conclusie was dat ik het met Leen eens was: nee, helemaal niet!”

“Toch speelde huidskleur wel vaker een rol. Zo herinner ik mij een voorval met mijn broertje. Hij vond de sinterklaastijd geweldig. De cadeautjes, het schoentje zetten en vooral de Zwarte Pieten. Ze klauterden en klommen, ze haalden kattenkwaad uit en konden rijden op zo’n fiets met een wiel. (Misschien goed te vermelden, dit alles speelde zich af in de tijd, vér voor de discussie over de knecht van de Sint.) Samen speelden we dat de pakjesboot aankwam en we ontzettend verrast werden door alle cadeaus. Thuis hadden we een echte schoorsteen en uit volle borst galmden we de liedjes omhoog en mocht papa het rookkanaal vooral niet dichtmaken, want dan konden Sint en Piet niet naar beneden.”

“Op de kleuterschool in het dorp waar we woonden, mochten op 5 december alle leerlingen verkleed komen. Sommigen kwamen als Sint, met een capeje en een mijter. Mijn broertje had bedacht dat hij als Zwarte Piet wilde gaan. Met pofbroek, kraagje en zwarte schmink. Als Indonesische Javaan met een vrij donkere huidskleur, in een wit dorp, was de eerste reactie van een aantal kindjes: ‘Waarom heb jij schmink op? Jij bent toch al bruin?’ In al zijn onschuld keek mijn broertje de kindjes aan en zei: ‘Ja maar dat is toch niet dezelfde kleur als Zwarte Piet?’ De kinderen keken hem aan en vervolgens werd verder gespeeld. Geen vragen, geen oordeel en mijn broertje was Piet!”