Wobka aan nieuw jasje toe

De Wet opneming buitenlandse pleegkinderen ter adoptie (Wobka) staat al tijden ter discussie. De wet stamt uit 1988 en is toe aan een herziening, vindt de politiek. Vera Kidjan zet op een rijtje waarom.

Tekst: Vera Kidjan

Tijdens het algemeen overleg van de Tweede Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie in januari 20131 werd de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven al belaagd met vragen naar de herziening van de Wobka. Wanneer moet deze plaatsvinden? Waarom is deze uitgesteld?

De reactie van de staatssecretaris was kort en bondig: het onderwerp is gedeprioriteerd, dat wil zeggen: andere onderwerpen hadden voorrang. Het duurde tot november 20142 voordat Teeven het onderwerp weer oppakte. Aanleiding hiervoor was een advies van 27 juni 2014 dat was opgesteld door de samenwerkende vergunninghouders met de titel De adoptieketen in 2020. Het rapport bevatte een aantal aanbevelingen om te komen tot een betere kwaliteit van de adoptieketen en de daarbij behorende procedures.

In mei 2015 reageerde Klaas Dijkhoff, de nieuwe staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, niet bijzonder enthousiast op het rapport3. Het rapport miste concrete aanbevelingen die konden leiden tot verandering in de werkwijze of de organisatie van de vergunninghouders zelf. Evenmin bevatte het een visie op de adoptieketen op lange termijn. Een gemiste kans, vond hij.

Oordeel van Inspectie Jeugdzorg

Het totaal aantal adoptiekinderen dat in Nederlandse gezinnen werd opgenomen bedroeg 705 in 2010, 528 in 2011, 488 in 2012, 401 in 2013 en 354 in 2014. Er is ook een dalende trend te bespeuren van het aantal aspirant-adoptieouders. Bovendien is het profiel van de kinderen die ter adoptie worden aangeboden veranderd. Tegenwoordig is er sprake van oudere kinderen en meer kinderen met special needs.

Deze ontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor de bestaansmogelijkheden van de verschillende partners in de adoptieketen. Daarnaast blijven de vergunninghouders de mogelijkheden verkennen voor adoptie uit nieuwe landen, die vaak niet zijn aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag. Hierdoor moet extra geïnvesteerd worden in een zorgvuldig proces. Dit roept de vraag op of het huidige sturingsmodel nog volstaat, meende de staatssecretaris. Hij heeft allereerst de Inspectie Jeugdzorg gevraagd om onderzoek te verrichten naar de praktijken van vier vergunninghouders. Het eindoordeel van de Inspectie luidt dat de kwaliteit van het bemiddelingsproces bij de vier vergunninghouders voldoende is, dat het belang van het adoptiekind in dat proces is gewaarborgd, maar dat zij op een aantal criteria niet volledig voldoen aan de verwachtingen die de Inspectie aan een goed bemiddelingsproces stelt4. De dossieropbouw moet zorgvuldiger plaatsvinden en de informatie over de specifieke zorgbehoefte van het kind moet gedetailleerd worden vastgelegd.

Ook heeft de Inspectie gesignaleerd dat de landen van herkomst steeds meer invulling zijn gaan geven aan de verantwoordelijkheden die zij op grond van het Haags Adoptieverdrag hebben. Hierdoor beslissen de landen van herkomst meer en meer zelf welke specifieke aspirant-adoptieouders bij het specifieke kind passen.

Adviesbureau

Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft inmiddels een adviesbureau dat is gespecialiseerd in maatschappelijke vraagstukken gevraagd om een aantal scenario’s uit te werken voor de inrichting van een toekomstbestendig stelsel voor interlandelijke adoptie. In die scenario’s moet het sturingsvraagstuk centraal staan. Het rapport van het adviesbureau zal een belangrijke bijdrage leveren aan de besluitvorming over een nieuwe inrichting van het adoptiestelsel en een wijziging van de Wobka. Hoe dit eruit gaat zien, is nu nog een raadsel.

Uit de brief van de staatssecretaris van mei 2015 kan worden geconcludeerd dat het allemaal zorgvuldiger moet en dat de adoptieouders nog meer moeten worden doorgelicht om goed te kunnen beoordelen of zij wel voldoende geschikt zijn voor bijvoorbeeld kinderen met special needs. Uiteraard zijn dit nobele gedachten, maar het zou niet moeten leiden tot nog dikkere adoptiedossiers en langere procedures, met een grotere kans dat de beginseltoestemming niet wordt toegekend.

Ook zou een reactie moeten worden gegeven op de constatering van de Inspectie dat de landen waar het adoptiekind vandaan komt meer zeggenschap willen hebben over wie de adoptieouders worden. De Nederlandse autoriteiten zouden bijvoorbeeld een verbeterd overlegmodel kunnen hanteren waarbij in bijzondere gevallen afgeweken kan worden van de Nederlandse wetgeving, indien de autoriteiten van het land waar het adoptiekind vandaan komt adoptieouders aanwijzen die in hun ogen geschikt zijn voor dit specifieke adoptiekind.

Wat ontbreekt in de brief is de discussie over de leeftijdsgrens die omhoog zou moeten, nu ook in de praktijk blijkt dat mensen op latere leeftijd kinderen krijgen en het statistisch is bewezen dat mensen ouder worden en langer gezond blijven. Dit jaar krijgen wij meer te horen, belooft de het ministerie van Veiligheid en Justitie. Wordt vervolgd.

Voetnoten:
1 TK 31 265 nr. 55, verslag van algemeen overleg 16 januari 2013
2 Brief 14 november 2014 van de SvV&J aan de voorzitter van de TK
3 Brief 28 mei 2015 van de SvV&J aan de voorzitter van de TK, kenmerknummer: 611945
4 Interlandelijke adoptie: herijking nodig (bijlage bij 31265, nr. 56) 22 september 2015

Mr. Vera Kidjan is werkzaam bij Everaert Advocaten (everaert.nl) in Amsterdam. Heeft u juridische vragen over adoptie, e-mail deze dan naar haar: kidjan@everaert.nl of bel 020-7523217.