Adoptiespecifieke intakevragen

In deze vragenlijst staan de belangrijkste vragen die u aanvullend kunt stellen als u een hulpvraag krijgt van een adoptiegezin. De vragen geven richting en hoeven niet chronologisch gesteld te worden.

Hoe leefde het kind vóór de adoptie? Feit of vermoeden?

Het heeft (op enig moment) impact of er wel of geen betrouwbare informatie beschikbaar is over het verloop van de pre- en postnatale fase en of het kind wel of geen hechtingspersonen heeft gehad. Er zijn grote verschillen in gedrag tussen een kind dat basisveiligheid ontwikkelde en een kind dat zich basaal onveilig voelt.

Aandachtspunten bij deze vraag:

Per aandachtspunt: feit of vermoeden/inschatting?

  • de geboortedatum van het kind;
  • de leeftijd waarop het is afgestaan of te vondeling is gelegd;
  • het verloop van de pre- en postnatale periode en de geboorte van het kind;
  • specifieke risicofactoren als alcohol- en/of drugsgebruik van de moeder, ondervoeding, ziekte of specifieke stress van de moeder, erfelijke ziektes, psychiatrische problematiek of verstandelijke beperking van de biologische ouders;
  • de leefsituatie van het kind voorafgaande aan de adoptie (denk hierbij aan aard en duur van mogelijk contact van het kind met zijn biologische familie; aan aantal en volgorde van overplaatsingen (ziekenhuis, kindertehuizen, pleeggezin);
  • kwaliteit van verzorging en stimulans in de diverse leefsituaties;
  • verwaarlozing, lichamelijke of psychische mishandeling, seksueel misbruik, ervaring met geweld, overlijden van een ouder, familielid of vertrouwde verzorger of van een andere traumatische gebeurtenis vermeld in de rapportage of door ouders afgeleid uit gedrag;
  • het wel of niet hebben gehad van vaste verzorgers in het geboorteland aan wie het kind zich kon hechten;
  • het al dan niet door adoptie gescheiden zijn van broers/zusjes in het geboorteland van het kind.
  • In het geval van adoptie van meer kinderen tegelijk, voor elk kind deze vragen apart stellen.
Had het kind bij aankomst een ontwikkelingsachterstand of handicap of werd een stoornis vermoed? Zo ja, bestaat die achterstand of stoornis nu nog?

Er zijn verschillende factoren die tijdelijke achterstanden op diverse ontwikkelingsgebieden veroorzaken of die soms ook blijvende beperkingen geven: genetische factoren (aanleg, erfelijkheid), omgevingsfactoren (bijvoorbeeld slechte leefomstandigheden, ondervoeding, verwaarlozing, onderstimulering), een slechte start (ziekte van de biologische moeder, drugs- en/of alcoholgebruik tijdens de zwangerschap).

Achterstand in lichamelijke groei wordt over het algemeen het snelst ingelopen. Of er blijvende achterstand of beperking is en op welk gebied, valt pas na verloop van tijd te diagnosticeren. Een goede inschatting van het ontwikkelingstempo en leermogelijkheden van een kind kan voorkomen dat ouders en/of leerkrachten het kind over- of ondervragen.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • de lichamelijke en motorische ontwikkeling;
  • de verstandelijke ontwikkeling;
  • de taal- spraakontwikkeling;
  • de sociaal-emotionele ontwikkeling;
  • een (niet)operabel medisch probleem/verhoogd medisch risico;
  • een mogelijke stoornis in het autistisch spectrum.
Met welke verwachtingen begonnen de ouders aan de adoptie?

Het is belangrijk om met de ouders zicht te krijgen op hun individuele en gezamenlijke motivatie, verwachtingen en frustraties over het ouderschap en de adoptie van dit kind. Deze beïnvloeden namelijk de ‘plaats’ die dit specifieke kind mag innemen, de ruimte die het krijgt om zichzelf te zijn.
Adoptieouders hebben vaak een emotioneel belastend medisch traject achter de rug én een langdurende adoptieprocedure. Zij waren afhankelijk van derden voor de vervulling van hun kinderwens. Zij zijn over het algemeen sterk gemotiveerde ouders met een grote inzet.
De opbouw van de gehechtheidsrelatie met het kind kan gemakkelijk gefrustreerd worden als het kind bijvoorbeeld niet voldoet aan de verwachtingen, als de match in hun ogen verkeerd is, als er nog veel verdriet is om de niet vervulde biologische kinderwens of weinig steun voor adoptie vanuit het netwerk.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • de motivatie voor adoptie (per ouder);
  • beleving van eventueel medisch traject en adoptieprocedure;
  • de verwachtingen van het te adopteren kind en het ouderschap ;
  • zijn de verwachtingen uitgekomen (de matching);
  • steun vanuit het netwerk.
Hoe was de eerste ontmoeting tussen ouders en adoptiekind? En tussen eventuele broers en zussen?

De beleving van de eerste ontmoeting tussen ouders en kind blijkt belangrijk. Impressies en emoties tijdens dat eerste contact beïnvloeden de ontwikkeling van de wederzijdse gehechtheid. De conditie, het uiterlijk en het temperament van een kind spelen een rol bij de eerste indruk en het latere contact, net als de reactie van het kind op de ouders en mogelijke broers/zusjes. Let niet alleen op wát de individuele ouder hierover vertelt maar ook op zijn of haar lichaamstaal, de emotie of het gebrek daaraan. Soms ervaart een ouder vanaf de eerste ontmoeting een negatief gevoel over het kind. Het ontbreken van een ‘klik’ maakt de ouder-kind relatie kwetsbaar. Soms gaat de ouder zich alsnog openstellen voor het kind, soms stagneert het hechtingsproces vanaf het begin. De ouder kan het kind niet accepteren zoals het is, of kan de afwijzing door het kind niet hanteren.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • het gedrag dat en de emoties die het kind toonde bij het eerste contact;
  • het eerste gevoel dat het kind bij ieder van de ouders opriep en waardoor dit kwam;
  • de wijze waarop de overdracht van het kind aan de ouders is verlopen en ervaren;
  • de reactie van kinderen op elkaar.
Hoe verliep het eerste gezamenlijke jaar?

Het is belangrijk meer zicht te krijgen op de richting en de snelheid waarmee het kind zich op diverse terreinen ontwikkelt. Ook is het belangrijk om zicht te krijgen op het inzicht van de ouders en de verbanden die zij leggen. Als ouders weinig of niets positiefs kunnen vertellen over het kind, dan is dat een signaal dat ieder ‘klem’ zit. Als het kind ook na een jaar nog niet differentieert tussen de ouders en andere volwassenen is dat zorgelijk en verdient de ontwikkeling van de gehechtheid specifieke aandacht in onderzoek en plan van aanpak.
Belangrijke gebeurtenissen als de komst van een volgend kind, echtscheiding van de ouders, verhuizing, langdurige ziekte, werkloosheid, overlijden, verandering van school of leerkracht hebben op alle kinderen invloed. Bij adoptiekinderen wiens basisvertrouwen nog fragiel is en die veel verlieservaringen hebben kan de impact heftig zijn.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • verschil in ontwikkeling, gedrag en vaardigheden van het kind bij aankomst en gedrag nu: positieve en negatieve uitschieters;
  • speelgedrag van het kind, hoe en met wie;
  • voelt het kind zich thuis in hun gezin en waar leiden zij dat uit af;
  • mate van wederzijdse gehechtheid: maakt het kind goed onderscheid tussen ouders en andere volwassenen;
  • het eventueel hebben van een voorkeursouder, de manier waarop de ouders daarmee omgaan;
  • situaties die problemen veroorzaakten tijdens het eerste jaar en de situatie nu (eten, slapen, contact leggen binnen en buiten het gezin, kinderdagverblijf cq schoolsituatie);
  • eventueel voorkomen van gedrag dat gekoppeld kan worden aan gevoelens van verdriet, verlies, rouw of heimwee bij het kind;
  • ingrijpende gebeurtenissen die het bovenstaande hebben beïnvloed.
Hoe ontwikkelt het kind zich na dat eerste jaar?

Het is belangrijk om duidelijk te krijgen op welke terreinen het kind zich goed en minder goed ontwikkelt volgens de ouders en wát hen zorgen baart. Signaleren de ouders gedragspatronen als grondhouding in specifieke situaties? Bijvoorbeeld bij onverwachte gebeurtenissen, bij veranderingen in leefritme, van basisschool naar voortgezet onderwijs, van thuis naar vakantie. De adoptiestatus compliceert een gezonde identiteitsontwikkeling en vraagt van adoptiekinderen én hun ouders extra inspanning.
Omdat té vroege puberteitsontwikkeling bij adoptiekinderen relatief veel voorkomt, is aandacht voor pubertas praecox op zijn plaats. Ook aandacht voor gedragsproblemen thuis en op school, en voor leerproblemen is belangrijk gezien de mate waarin problematiek gesignaleerd wordt.
Als vroegere ontwikkelingsfasen niet goed zijn doorlopen, beïnvloedt dat de ontwikkeling van een positief zelfbeeld en identiteit.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • lichamelijke en seksuele ontwikkeling, vroege puberteit;
  • taal-, spraak- en cognitieve ontwikkeling;
  • ontwikkeling van de wederzijdse gehechtheid;
  • de sociaal-emotionele ontwikkeling;
  • concentratievermogen en spel;
  • ontwikkeling van de identiteit;
  • belangrijke gebeurtenissen en de impact daarvan;
  • al of niet voldoen aan de eisen die gesteld worden in gezin, op school en in de sociale omgeving.
Hoe beleven de ouders het adoptieouderschap?

Adoptieouderschap is op een aantal punten wezenlijk anders dan ouderschap van een biologisch eigen kind of pleegouderschap. Adoptieouderschap kent eigen kwetsbaarheden en doet een versterkt beroep op specifieke pedagogische vaardigheden. Adoptieouders die dit ontkennen, negeren daarmee het eigen karakter en de impact van de adoptie op de ontwikkeling van hun kind én op hun ouderschap.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • het gevoel om ouder van dit kind te mogen en kunnen zijn;
  • het gevoel van de ouders over de band met dit kind: onvoorwaardelijk, nog explorerend, langzaam groeiend, stroef, slecht? Is dit in overeenstemming met hun verwachtingen?
  • het verschil tussen biologisch- en adoptieouderschap; hoe ervaren ouders dit, wanneer/waardoor;
  • het gevoel om als adoptieouders over extra vaardigheden te moeten beschikken;
  • de kracht en de achilleshiel van de adoptievader/-moeder;
  • ideeën over hoe het kind hen ervaart, wat vindt het leuk aan hen en wat niet;
  • eventuele invloed van uiterlijk, temperament, karakter, interesses van het kind op het gevoel voor hun kind;
  • inzicht ouders in het verband tussen actueel gedrag van het kind en zijn vroegere leefervaringen;
  • het vermogen om eventueel tegenstrijdige signalen die het kind uitzendt te hanteren;
  • de ervaren steun aan elkaar bij de opvoeding;
  • beleving van hun eigen en elkaars stressregulerend vermogen (eventueel op een vijfpuntsschaal).
Zijn er gevoelens van verdriet en rouw bij ouders en/of kind die samenhangen met de adoptie?

Verlies door afstand en adoptie is complex. Er is sprake van verdriet van adoptieouders en -kind om het ontbreken van een bloedband tussen beiden. Er is boosheid en verdriet van de geadopteerde ten opzichte van de biologische ouders die hem in de steek lieten. Er is sprake van verdriet en rouw bij de adoptieouders om het nooit geboren biologisch eigen kind, de miskramen of het overleden kind. Ook de afstandsouder kent verdriet en rouw om het kind dat werd afgestaan.

Binnen adoptiegezinnen blijkt de drempel hoog om eigen verdriet over verlies mondeling te uiten. Het wordt geuit in gedrag dat niet rechtlijnig te interpreteren is. Het is belangrijk om met ouders na te gaan welke emoties achter waarneembaar gedrag schuil gaan. Angst voor verder verlies en afwijzing kan ouder en kind blokkeren in ontwikkeling.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • bewustzijn van verlieservaringen bij ouders en kind;
  • manier van uiten van verlieservaringen;
  • acceptatie hiervan.
Hoe beleeft het kind zijn adoptie (door deze ouders)?

Of een kind feitelijke herinneringen heeft aan zijn adoptie, hangt af van de leeftijd waarop het is geadopteerd. Of een kind emoties kan tonen over zijn geschiedenis en de mate waarin dat gebeurt, hangt af van de kwaliteit van de relatie met zijn adoptieouders én van zijn eigen karakter en ontwikkelingsfase. Kinderen ontwikkelen in verschillende ontwikkelingsfasen fantasieën over hun adoptie. Zolang de fantasie wordt vastgehouden kan de realiteit ontkend worden. Verdriet volgt pas als onder ogen wordt gezien dat de fantasie vooral de functie had om de realiteit niet onder ogen te zien. Duidelijke fysieke verschillen kunnen negatieve gevoelens oproepen ten opzichte van zijn afstamming. Dit kan zijn gevoel van verbondenheid met de biologische ouders blokkeren en aanleiding zijn voor schaamte- en schuldgevoel.
Adoptieouders hebben de taak hun kind te helpen praten over zijn adoptiestatus. Hierdoor leert het gaandeweg om te gaan met tegenstrijdige gevoelens ten opzichte van zijn beide ouderparen en de adoptie.

Aandachtspunten bij deze vraag:

  • aanwezigheid van basisvertrouwen van het kind in de ouders;
  • besef van de adoptiestatus. Is dit leeftijdsadequaat? Hoe toont het dit?
  • de kennis van de feiten van zijn levensgeschiedenis vóór de adoptie;
  • het eventueel gepreoccupeerd zijn met aspecten uit zijn levensgeschiedenis;
  • openheid over emoties;
  • de vraag om steun;
  • ervaren van de fysieke verschillen met de adoptieouders.
Is er rootsinteresse? Is er contact met de biologische ouders, het kindertehuis of geboorteland? Zo ja, op welke manier.

Rootsinteresse kent verschillende gradaties en het blijk geven van (des)interesse blijkt een precair item. Niet alle direct betrokkenen delen de interesse, of niet op dezelfde tijd of in dezelfde mate. Misverstanden en conflicten liggen op de loer bij dit emotioneel gevoelige onderwerp.
Zeker bij jonge adoptiekinderen is het belangrijk de vraag te stellen welke interesse bij wie leeft en waardoor, wie welke initiatieven nam/neemt en met welke motieven, of de manier waarop interesse getoond mag/kan worden voor ieder goed voelt.

Aandachtspunten bij deze vraag

  • openlijke, versluierde of geen interesse van het kind in zijn herkomst;
  • de betekenis van bloedband/afstamming voor het kind;
  • bij interesse: is het kind geïnteresseerd in (de cultuur van) het geboorteland, de eigen geschiedenis of een combinatie daarvan?
  • de mate waarin en hoe de adoptieouders de interesse bij hun kind voeden;
  • het al of niet aanwezig zijn van contact met familie of andere voor het kind belangrijk personen in het geboorteland. Op wiens initiatief en in welke vorm? Naar aanleiding van een gebeurtenis of ontwikkeling bij kind of biologische ouders?
  • eventuele planning voor een ontmoeting of een ontmoeting die al heeft plaatsgevonden. Is/was er een duidelijke aanleiding? Wat was de impact of wat verwacht men ervan?
Hoe hanteren kind en ouders de verschillende loyaliteiten die inherent zijn aan adoptie?

Het zuiver hanteren van de diverse loyaliteiten, ook naar de biologische ouders van het kind, kan problemen geven in het adoptiegezin. Ouders die hun kind emotioneel geen ruimte geven in de beleving van de adoptiestatus, laten hun kind in de kou staan.
Kinderen voelen aan of ouders moeite hebben te worden herinnerd aan hún adoptiestatus of geen respect hebben voor de biologische ouders. Zij verstaan goed de onderliggende onuitgesproken boodschappen die in het gedrag en de denkbeelden van de adoptieouders tot uiting komen.
De afwezige biologische ouder kan levensgroot aanwezig zijn als het kind en/of zijn adoptieouders de fantasie ontwikkelen dat het kind ‘bad seed’ bij zich draagt, in moreel, medisch en/of sociaal-emotioneel opzicht genetisch negatief belast. Deze fantasie kan leiden tot een lage zelfwaardering en zich uiten in depressieve gevoelens of in agressie, rebellie, acting-out gedrag. Interlandelijke adoptie confronteert ieder met de mate waarin en manier waarop men zelf vooroordelen koestert/discrimineert.

Aandachtspunten bij deze vraag

  • de gevoelens die de ouders hebben voor de motieven voor en manier waarop de biologische ouders het kind hebben afgestaan of verlaten;
  • de vertaling van deze gevoelens in praktijk: mogen de biologische ouders er zijn in het adoptiegezin? Wanneer en hoe? Hoe spreken de ouders over hen, is er respect? Is er verschil tussen praten over en respect dat gevoeld wordt?;
  • de plek die de biologische ouders innemen in de belevingswereld van het kind en de openheid van het kind over deze plek. Kan, mag en wil het kind loyaal zijn aan zijn biologische ouders ongeacht de manier waarop het voor adoptie in aanmerking kwam?
  • de vraag hoe het kind de dubbele loyaliteiten hanteert (naar adoptieouders en naar biologische ouders).