Bouwsteen 2: Toevertrouwen of wantrouwen

Toevertrouwen

Als een kind zich veilig voelt bij een ouder zal het die ouder vertrouwen en zich aan hem/haar toevertrouwen. Het ontwikkelt een emotionele band met de ouder, zoekt actief zijn gezelschap. Het gaat eenkennigheid ontwikkelen vanuit zijn voorkeur voor de ouder. Vanuit het vertrouwen dat zijn ouders zijn onlustgevoelens wegnemen kan het de stap zetten naar het uitstellen van de bevrediging van zijn behoeften. Via vertrouwen in de ouders gaat het ook vertrouwen schenken aan anderen in zijn omgeving. Deze tweede bouwsteen is de fase waarin het kind uitstel leert dulden van bevrediging van zijn lichamelijke en emotionele behoeften. Voorwaarde daarvoor is de ervaring dat de ouders altijd op een voor hem prettige en voorspelbare manier in zijn behoefte voorzien. Het gaat ontdekken dat het de aandacht van de ander kan vasthouden. Het kind staat in deze fase nog centraal, het is degene die krijgt. Voor de ouder is het de fase van actief kijken, luisteren en meeleven, op een prettige manier aanraken, troosten, verzorgen, babbelen, voeden, reageren en inspelen op de eigen aard van het kind.

Wantrouwen

Hiaten in de onderste bouwsteen spelen door in de tweede bouwsteen. Als de basisveiligheid broos is, het kind nog veel angst en stress ervaart, weerspiegelt zich dat in het vertrouwen van het kind in zijn ouder, misschien ook in het zelfvertrouwen van de ouders. Er is weinig gevoel van en zekerheid over de onderlinge verbondenheid. Een wantrouwig kind doet bijzonder appél op het inlevingsvermogen van de ouder, op zijn beschikbaarheid en vaardigheid om stress te helpen reduceren. Als wantrouwen blijft overheersen, blijft het kind uit wantrouwen afwerend reageren op anderen en op situaties. Hechtingssignalen verdwijnen of worden onduidelijk. Verlies van een ouder of verzorger met wie het een band had kan dusdanig angst voor nieuw verlies veroorzaken, dat het kind uit alle kracht mijdt dat er een band groeit met bijvoorbeeld de adoptieouders.

Gedragsproblemen

Kindgedrag: vermijding van (oog)contact, zich afsluiten. Behoefte om zelf de controle te houden, deze niet uit handen kunnen geven. Afwerend of klampend gedrag. Het kind durft de ouder niet los te laten of differentieert niet tussen zijn ouders en andere volwassenen. Het heeft moeite zich aan te passen en zich te voegen in het gezin. Het kan geen uitstel van behoeften verdragen, is lichamelijk gespannen.
Oudergedrag: moeite met beschikbaar en gevend zijn. Voorral corrigerend. Moeite met observeren en aansluiten bij het kind. Afnemend plezier en vertrouwen in ouderschap.

Wisselwerking ouders – kind

Als het kind zich in deze fase openstelt voor de ouder, ontstaat er een elkaar stimulerende wisselwerking. Hierdoor ontstaat een verdieping van de wederkerigheid van de gehechtheid. Een kind dat vertrouwen schenkt en zijn voorkeur toont, bevestigt zijn ouders in hun ouderschap. Daarmee versterkt het het zelfvertrouwen van de ouders. Als het ouders onvoldoende lukt op hun kind af te stemmen, blijft wantrouwen de onderlinge verbondenheid blokkeren. Onvoldoende vertrouwen kan te maken hebben met de grote mate van angst en wantrouwen bij het kind. Het kan ook te maken hebben met de persoonlijkheid van de ouders en met hun bereidheid de eigen opvoedingsvaardigheden te versterken.