Bouwsteen 3: Zelfvertrouwen of onzekerheid

Zelfvertrouwen

Een kind dat zich durft toevertrouwen aan de ouder, kan in deze fase zijn leefwereld verbreden vanuit de veilige zekerheid dat het op de ouder kan terugvallen. Het experimenteert met afstand nemen en nabijheid zoeken. Het ervaart dat het eigen angst kan overwinnen en steun en troost kan vragen. In deze fase kan het kind scheidingsangst overwinnen vanuit vertrouwen dat de ouder beschikbaar blijft al ziet het de ouder niet. Hoe sterker de band is die opgebouwd werd in de vorige fasen, hoe beter het kind het beeld zal kunnen verinnerlijken van de ouder. Voor het kind is dit de fase van actief eropuit gaan, handelen, uitproberen, zelf ontdekken wat je kan. Met vallen en opstaan steeds weer leren en zelfvertrouwen opdoen, frustraties leren hanteren, gevoelens kunnen delen en genieten van eigen kracht. Voor de ouders is het de fase van op bereikbare afstand blijven, aandacht en interesse tonen, ruimte en mogelijkheden scheppen, meeleven, benoemen en begrip tonen, zonodig hulp en steun bieden.

Onzekerheid

Wanneer er tekorten zijn in voorgaande fasen, zie je in deze fase dat het kind weinig zelfvertrouwen heeft. Het durft de ouder niet los te laten uit angst dat deze niet terugkomt en klampt zich vast. Het maakt een hulpeloze indruk. Het voelt onvoldoende de steun van de ouder in zichzelf, betwijfelt of het onder alle omstandigheden op de ouder kan terugvallen. Voelt zich te sterk op zichzelf aangewezen. Dit remt de natuurlijke nieuwsgierigheid, maakt passief. Of het gaat zijn eigen gang zonder te delen, zonder hulp of troost te vragen en zonder zijn energie te richten en echt stil te staan bij zijn ervaringen. Hierdoor loopt de innerlijke spanning op. Het overschreeuwt en overvraagt zichzelf.

Gedragsproblemen

Kindgedrag: vastklampen, passiviteit, onvoldoende exploratie, onnodig hulp vragen, het snel opgeven, doelloos en ongeconcentreerd gedrag, vlinderachtig gedrag, hebberigheid, niet kunnen delen, pikken, nooit genoeg hebben, agressie. Oudergedrag: dwingend met accent op normering, weinig geïnteresseerd, weinig inlevingsvermogen, mate van starheid.

Wisselwerking ouders – kind

Met waarneembaar gedrag uit of camoufleert het kind vaak onderliggende gevoelens van boosheid en verdriet over de tekorten in zijn leven. Bijvoorbeeld over verlieservaringen die hun sporen achterlieten en over de onmacht die het ervaart om op positievere manier duidelijk te maken wát hij nodig heeft. Omdat zijn gevoelens zo diffuus zijn kan het kind deze niet in woorden uiten, wel in gedrag. De vaak tegenstrijdige signalen zijn voor de ouders lastig te duiden. Dit maakt adequaat reageren moeilijk. Het kind doet met zijn gedrag een sterk beroep op de interesse en het inlevingsvermogen van zijn ouders, op hun frustratietolerantie en vermogen leiding te nemen door grenzen te stellen en te hanteren.