Zelfbeeld en identiteit

Het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en een gezonde identiteit is om verschillende redenen voor adoptiekinderen niet eenvoudig:

  • Er waren vaak tekorten in hun vroegste jeugd: ze zijn vaak over lange periode door niemand echt ‘gezien’ of liefdevol aangeraakt;
  • Ze zijn afgestaan of verlaten en hebben belangrijke personen verloren. Voor adoptiekinderen is het daardoor lastig een positief zelfbeeld te ontwikkelen. Zij ervaren vaak ambivalentie en twijfelen over hun gewenst zijn door de biologische ouders (zij lieten hen immers in de steek) naast de boodschap van hun adoptieouders dat zij zeer door hen gewenst zijn. Deze ambivalentie maakt hen kwetsbaar voor (vermeende) afwijzingen. Deze versterken het gevoel ‘er niet toe doen of niet goed te zijn. Zij kunnen zich ook verbeelden afgewezen te worden zonder dat daar sprake van is.
  • Als alle kinderen doen adoptiekinderen hun best om hun zelfbeeld kloppend te houden. Zij nemen gedrag dat zij in het geboorteland ontwikkelden als reactie op bejegening en omstandigheden dáár mee naar Nederland. Omdat het hier niet langer effectief is, kan hun gedrag afwijzing uitlokken. Dit zien zij dan als bevestiging van hun al opgebouwde negatieve zelfbeeld.
  • Doordat zij meestal een andere etnische identiteit hebben dan hun adoptieouders, moeten adoptiekinderen zelf een etnische identiteit ontwikkelen.
  • Adoptiekinderen moeten uitzoeken wat het ‘geadopteerd zijn’ voor hen betekent. Zij moeten keuzes maken over wel/niet op zoek gaan naar informatie over of contact met de biologische ouders, de eigen voorgeschiedenis, hun geboorteland, etc. Vooral in de puberteit, waarin de identiteitsontwikkeling op de voorgrond staat, betekent dit een extra ontwikkelingstaak.

Zelfbeeld adoptieouder

  • Wie als kind ouders had die een goede mix boden van aandacht, bescherming, stimulans en prettig lichamelijk contact, kon een positief zelfbeeld ontwikkelen. En kan op zijn beurt een stevige ouder zijn voor zijn adoptiekind.
  • Een slechte relatie met (een van) de ouders en minder goede herinneringen, beïnvloeden eveneens het zelfbeeld van de ouder. Wie zich als kind sterk aanpaste, uit angst voor afwijzing, heeft minder zelfvertrouwen. En zal zich als ouder en opvoeder onzeker en snel afgewezen voelen.
  • Ongewenste kinderloosheid kan gevoelens van onmacht, minderwaardigheid, tekortschieten ten opzichte van de partner veroorzaken. Dit beïnvloedt het zelfbeeld (tijdelijk).
  • Hoe ouders zichzelf ervaren, wordt ook beïnvloed door de eisen die zij aan zichzelf stellen en de mate waarin ze die eisen kunnen en willen relativeren.

Wisselwerking ouders – kind

  • In diverse ontwikkelingsfasen kan het gedrag van het kind verschillende valkuilen opleveren. ‘Modelgedrag’ bijvoorbeeld is, als het niet tijdig wordt gesignaleerd, destructief omdat het kind geen identiteit ontwikkelt en vastloopt in zijn ontwikkeling. De gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind en het verwachtingspatroon dat het kind op grond daarvan gevormd heeft, is van grote invloed op de ontwikkeling van het zelfbeeld en de identiteit.
  • Als eigenschappen van het kind die als negatief worden ervaren aan de biologische ouders worden toegeschreven (erfelijke ballast) en kind of ouders het ontbreken van fysieke overeenkomst met elkaar als gemis blijven ervaren, werkt dat negatief op de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind.
  • Op dezelfde manier zal het kind blokkeren als het discrepantie merkt tussen wat de adoptieouders over de biologische ouders met de mond belijden en wat hun lichaamstaal zegt. Een gezonde identiteitsontwikkeling vereist congruentie in gesproken taal en lichaamstaal en opvattingen over de afstamming van het adoptiekind.
  • Communicatie is essentieel. Vanuit een respectvolle en bescheiden houding kan de adoptieouder talenten en kwaliteiten van zijn kind benoemen. Aandacht geven aan positief gedrag biedt het kind de kans zich capabel te voelen en stimuleert tot het opdoen van meer succeservaringen.
  • Een gezond en reëel identiteitsgevoel ontstaat als de vroege ontwikkelingsfasen goed doorlopen zijn. Belangrijk is dat de adoptieouders oprechte interesse tonen in hun kind. Hierdoor ontstaat het gevoel ‘ik mag er zijn, ik ben iemand om van te houden’. Zich al dan niet ‘gewenst’ voelen, is een gevoel dat heel diep gaat. Het bepaalt je bestaansrecht en beïnvloedt je zelfvertrouwen.

Signaalgedrag

Onvoldoende ik-besef, identiteitsverwarring, moeite met acceptatie van de eigen identiteit, moeite met acceptatie van het afgestaan en het geadopteerd zijn, geen eigen keuzes kunnen maken, te weinig contact met zichzelf voelen, onvoldoende weerbaar zijn, grote beïnvloedbaarheid, clownesk gedrag.